Aan Emma's voeten


Nieuws
Levensverhaal
Vertalingen
Artikelen
Secundair
Essay's
Tijdgenoten
Vrienden
Audio & video
Foto's
Fotoalbum
Favorieten

Aan Emma’s voeten

“ (…) zoals ik bij het kijken naar je bruine pantoffeltjes eraan denk hoe je voeten erin bewogen en er hun warmte aan gaven”.

“Kom, ik ga nog een blik op je pantoffels werpen. O! die zullen mij nooit verlaten! Ik geloof dat ik evenveel van ze hou als van jou. Degene die ze gemaakt heeft, kon niet vermoeden hoe mijn handen bij het aanraken van zijn maaksel zouden beven, ik snuif er de lucht van op, ze ruiken naar verveine en naar jou, zodat mijn hart zwelt.”

Begin augustus 1846 schreef Gustave Flaubert dit in twee opeenvolgende brieven aan zijn minnares Louise Colet. Haar pantoffels bewaarde hij in de la van zijn schrijfbureau, waar hij ploeterde op zinnen, die hij eindeloos kon herschrijven voor hij er tevreden over was. In een van de geadoreerde en besnuffelde pantoffeltjes zat een bebloede zakdoek van Louise, enige dagen eerder was zij zijn maîtresse geworden. Flaubert was bezig met Madame Bovary, de eerste realistische roman van de 19e eeuw. Een roman over een boerendochter Emma die met een plattelandsarts Charles  trouwt, uit onvrede en onvervulbare, vage verlangens minnaars neemt, zich alsmaar meer in de schulden steekt, ten ondergaat in een poel van bedrog, zelfmedelijden, lust en uiteindelijk zelfmoord als enige uitweg ziet . “Alles wat haar onmiddellijk omgaf, het saaie platteland, de domme burgerman, de grauwe middelmaat, kwam haar voor als een uitzondering op het werkelijke leven, een vreemd toeval waarvan zij de dupe was, terwijl zich daarbuiten, onafzienbaar, het mateloze land van passie en geluk uitstrekte (p. 75)[1]. Trivialer kan haast niet. Toch is dit keukenmeidenthema uitgewerkt tot de mooiste roman in de westerse literatuur.

Flaubert was een voetenliefhebber (getuige zijn brieven aan Louise) en een voetenspecialist: in zijn kamer stonden wetenschappelijke naslagwerken over de behandeling van horrelvoeten en andere voetafwijkingen. Zowel zijn vader als zijn broer, beiden arts aan het ziekenhuis van Rouen,  waren gespecialiseerde orthopeden en Flaubert had grote bewondering en liefde voor hen. In ieder geval weten we alles van Emma’s voeten en spelen de beschrijvingen van haar laarsjes, haar veterschoenen, haar pantoffels een hoofdrol in de roman. En iedere keer gaan die beschrijvingen gepaard met het effect dat ze op de beschouwer hebben. Vernietigende effecten, zullen we zien. Dezelfde effecten als de pantoffels van Louise op Flaubert hadden. Ik beperk me hier tot Madame Bovary, maar ook de andere romans van Flaubert kennen hun beroemde, veelzeggende en voorspellende voeten en schoeisels.

Charles Bovary is nog getrouwd met de knokige, dorre deurwaardersweduwe uit Dieppe (“en kruiselings over haar grijze kousen liepen de banden van haar plompe schoenen” p.27) als hij Emma, de dochter van een boer ontmoet: “hij hield van juffrouw Emma’s klompschoentjes op de geschrobde keukenvloer; de hoge hakken maakten haar wat groter, en als zij voor hem uitliep, wipten de houten zolen snel omhoog en klapten met een droog geluid tegen het leer van de schoen” (p.25). Het eerste bijna dat Charles opvalt zijn haar voeten en welk een verschil met de voeten van de knokige weduwe. En datgene waarmee zijn liefde ontwaakt in het begin van het boek, wordt aan het eind van de roman als laatste vermeld. Bij Emma’s dood, als de priester haar het sacrament der stervenden toedient, zalft hij als laatste met olie haar voeten (“ die haar eens zo snel hadden gedragen naar de bevrediging van haar verlangens, en die nu geen stap meer zouden doen” p.387). De cirkel is rond.

In zekere zin zijn de voeten en het schoeisel van Emma nauw gelieerd aan haar liefdesleven, aan haar relaties, zowel het begin als de afloop ervan. Flaubert gebruikt ze om commentaar te leveren op haar emoties, haar liefdes, haar wanhoop en uiteindelijke zelfmoord. De Bovary’s gaan verhuizen en de avond van hun aankomst in het nieuwe dorp zet de postkoets hen af bij de dorpsherberg. Daar “liep Emma naar de schouw. Ter hoogte van haar knie nam zij haar japon tussen duim en wijsvinger, trok hem tot haar enkels op en stak haar zwartgelaarsde voet uit naar de vlammen. Aan de andere zijde van de schouw stond een blonde jongeman stil naar haar te kijken” (p.100). Het is Léon, die later haar tweede minnaar zal worden en het eerste wat hij van haar ziet zijn haar laarsjes. Ook trouwens haar eerste minnaar, Rodolphe, peinst bij zichzelf, als hij Emma gezien heeft. “ Ze is best knap, dat doktersvrouwtje. Mooie tanden, donkere ogen, een bekoorlijk voetje en het figuurtje van een Parisienne” (p. 160). Ook hier worden de lusten aangewakkerd door de aanblik van Emma’s voeten. Rodolphe weet heel goed hoe hij Emma moet veroveren. Bij hun eerste wandeling beschrijft Flaubert hem aldus: “en onder zijn streepjesbroek staken vanaf de enkels zijn nanking laarzen met lakleren voeten. Deze glommen zo dat het gras erin weerkaatste (p. 169). Als later in het bos Emma voor Rodolphe bezwijkt, begint Flaubert de verleidingsscene met: “Rodolphe liep achter haar en keek naar het aanlokkelijk wit van haar kousen; en het was hem of hij tussen het zwart van haar kleed en het zwart van haar laarsjes iets van haar naaktheid bespeurde.” (p. 194)  Als Emma er een gewoonte van heeft gemaakt haar tweede minnaar, Leon, in Rouen  te bezoeken, heeft zij om zich in zijn kamer thuis te voelen muiltjes aan Léon gevraagd : “Het waren muiltjes van roze satijn, omboord met zwanendons; als zij op zijn schoot zat, kwam zij met haar benen niet meer bij de grond; en het sierlijk schoeisel, dat geen steun meer vond, bungelde nog slechts aan de tenen van haar blote voet” (p.319).

Door de hele roman heen drukt het schoeisel de stemming van Emma uit. In het begin van de roman ontsnapt zij een keer aan de sleur als zij en haar man op een groot bal worden uitgenodigd. Echter het leven herneemt zijn loop en de verveling slaat weer toe en Emma voelt zich verwant met haar balschoentjes. “Maar zij berustte; zij borg haar baljurk vol piëteit in de ladenkast, evenals haar satijnen schoentjes, waarvan de zolen geel zagen van de waslaag op de geboende parketvloer. Met haar hart was het precies zo gesteld: de rijkdom waarmee het in aanraking was gekomen, had er een indruk achtergelaten die zich niet meer liet uitwissen (p 72)”. Voor Emma geven schoenen de uitdrukking van zowel haar gemoedstoestand als van de lust. Vrij snel na haar huwelijk met Charles beseft zij de onbeduidendheid van haar echtgenoot, de sleur van haar bestaan, de oneerlijkheid van haar lot. “Kon zij maar vol weemoed zich opsluiten in een Schotse cottage,  met een echtgenoot in een zwartfluwelen kostuum met lange panden die soepele laarzen draagt (p. 53)”. Balschoentjes, satijnen schoentjes, soepele laarzen, evenzoveel tekenen van een onbereikbaar ideaal. En als ze van haar dorpje Yonville naar haar minnaar in Rouen gaat, wisselt ze bij aankomst haar overschoenen voor elegante laarsjes: de lelijke, alledaagse en vervelende omgeving van Yonville wordt geruild voor het elegante, spannende en gepassioneerde avontuur in Rouen. Door de hele roman heen tikken verveeld of opgewonden, trappelen, stampen, slepen klompschoentjes, rijglaarsjes, muiltjes, pantoffeltjes, rijschoentjes. Welk een verschil tussen die soepele laarzen van de gedroomde echtgenoot en de over het algemeen bemodderde, grove plattelandslaarzen van de dorpsdokter. Schoenen zijn een verzinnebeelding van het gevoelsleven van de drager, schoenen zijn het symbool van de seksuele escapades, schoenen lijken magische krachten te hebben. (In Herodias, een kort verhaal van Flaubert, krijgt de verleidster Jezebel toegeworpen: “Je hebt zijn hart veroverd met het kraken van je schoen”. ) Het geluid van schoenen is een afrodisiacum. Léon, haar minnaar, begint genoeg te krijgen van Emma’s extravaganties: “ Hij probeerde zelfs om niet meer van haar te houden; maar als hij alleen al haar laarsjes hoorde kraken, voelde hij zich zwak worden, zoals dronkaards bij het zien van sterke drank (p. 339)”.

Flaubert’s hart zwol bij het ruiken aan de schoentjes van Louise en Léon wordt erdoor beneveld. Schoeisel is niet alleen bedwelmend, het is ook medeplichtig.  Als alibi voor haar uitstapjes zegt Emma tegen haar echtgenoot dat ze in Rouen pianolessen volgt en als hij dan toch op een keer achterdochtig wordt, immers de pianolerares blijkt Emma niet te kennen, verzint zij een list. “Inderdaad, toen Charles de vrijdag daarop (..) zijn laarzen aantrok, voelde hij tussen het leer en zijn sok een stuk papier. Hij haalde het eruit en las: Ontvangen voor drie maanden les en verschillende benodigdheden, de somma van vijfenzestig frank. Félicie Lempereur, muzieklerares. Verdraaid, hoe komt dat in mijn laars. (p.325)” Alle varianten van erotiek en seksualiteit, maar ook van list en bedrog zijn met voeten en schoeisel verbonden.

De toneelstukken van Marivaux zijn beroemd vanwege het feit dat de bijfiguren de intriges en gevoelens van de hoofdpersonen aankondigen, relativeren, grappig maken. Een verliefdheid tussen de graaf en de prinses wordt bij Marivaux altijd vooraf gegaan door een amourette tussen kamermeisje en stalknecht. Flaubert gebruikt 100 jaar later zijn bijfiguren en hun nevenintrige ook om de gevoelens, belevenissen van de hoofdpersonen extra dramatische accenten te geven, erop vooruit te lopen. Het grote verschil is dat hij geen compassie met de bijfiguren heeft, ze worden opgeofferd voor de gevoelens van Emma en ook hier door voeten, schoeisel, het bekijken ervan en de gevoelens die eraan verbonden zijn. Emma droomt van een meeslepend, gepassioneerd leven en wijt de onbenulligheid en leegheid van haar bestaan aan Charles. In een opwelling besluit ze dat Charles beroemd moet worden, uit vrij egoïstische gronden trouwens “wat zou het haar geen voldoening schenken, als hij door haar daartoe aangezet tot roem en rijkdom zou komen? Al wat zij verlangde was om op iets degelijkers dan liefde te kunnen steunen.” (p 211). En dus moet Charles een operatie uitvoeren die ver boven zijn kunnen ligt. De horrelvoet, hoe kan het ook anders, van de staljongen Hyppolite, moet rechtgezet worden. De horrelvoet als symbool voor haar ongelukkige bestaan, net zoals enige hoofdstukken eerder de afgebrokkelde voet van een gipsen beeld in haar tuin, ook al haar misère symboliseerde. Alleen is Emma inmiddels ongelukkiger geworden en is de voet niet meer van gips, maar van vlees en bloed. Er ontstaat wondvuur en de voet moet geamputeerd worden. De operatie moest wel mislukken, immers de relatie met Rodolphe is voorbij en verder onheil stapelt zich op. In de rest van de roman wordt het ongeluk en later de wanhoop van Emma onderstreept door het tikken van Hyppolite’s houten been in de straten van Yonville. Met weinig mededogen wordt Hyppolite gestraft voor het feit dat zijn horrelvoet de ondergang van Emma aankondigt en accentueert.

Justin, een tweede bijfiguur, de apothekerknecht, is heimelijk verliefd op Emma (of wellicht op Emma’s schoentjes), wordt medeplichtig aan haar overspel en helpt haar bij haar zelfmoord. Justin is aanwezig bij de eerste ontmoeting van Emma en Rodolphe, staart hen later na als ze een rijtoertje gaan maken (het uitstapje waarop Emma zich voor het eerst aan Rodolphe geeft). Justin is medeplichtig en schuldig, niet alleen door zijn blik, ook door zijn handelen. In de keuken van Emma’s huis lummelt hij rond en kijkt zijn ogen uit, wanneer het dienstmeisje het ondergoed van Emma staat te wassen. Zij wil hem wegsturen. “Toe, wees niet boos, dan poets ik haar laarsjes voor je. En meteen pakte hij van de vensterbank Emma’s schoenen, die onder het slijk zaten – het slijk van de rendez-vous; het verpulverde tussen zijn vingers tot stof en hij keek ernaar hoe het traag opwarrelde in een zonnestraal (p. 228)”. De wandeling naar Rodolphe’s kasteel voert door drassige weiden en Emma’s schoenen zitten dan ook onder de modder. Justin’s medeplichtigheid bestaat uit het verwijderen van het slijk van de rendez-vous. Julian Barnes voegt er nog aan toe dat bij het poetsen Justin zijn handen vermoedelijk houdt daar waar Emma’s voeten zaten. Op zich een hele normale handeling, zoniet bij Flaubert, waar het meteen een erotische lading krijgt. Wat is er logischer dan dat de dood aan dit thema wordt gevoegd? Als Emma zelfmoord wil plegen, dwingt ze Justin haar de sleutel van het gifkastje te geven om zo aan arsenicum te komen. Medeplichtig en schuldig, al was het maar door het laten verdwijnen van het bewijs van het overspel, al was het maar omdat hij zijn hand in Emma’s laarsjes stak. En we zagen aan de brieven van Flaubert aan Louise Colet wat de warmte en de geur van een vrouwenvoet in een laarsje betekent voor een verliefde man. Ook in andere passages schrijft Flaubert aan haat over voeten en schoeisel.

“In de vervlechting van de sandaalbandjes aan de voeten van de Apollo di Belverdere heeft het plastisch genie van de Grieken al haar gratie ten toon gespreid. Wat een schitterende combinatie van het ornament en het naakt! Wat een harmonie tussen inhoud en vorm! Wat past die voet goed bij dat schoeisel, of dat schoeisel bij die voet!” schrijft Flaubert op 26 augustus 1853 aan Louise Colet en in dezelfde brief  ”Wat een mooi woord is dat, Sandaal! Sandalen met omhoog krullende punten als een maansikkel, overdekt met glinsterende lovertjes, lijken op Indische gedichten (..) zij schuifelen in harems rond op tapijten met een wild patroon van arabesken. Het doet je aan eindeloze hymnes denken, aan de verzadigingen van de liefde.”  

Soms expliciet, soms tussen de regels door geeft het werk van Flaubert een encyclopedisch overzicht van voeten en schoeisel, van het effect dat ze hebben op anderen, hoe ze te gebruiken zijn als verleiding, als uitdrukking van je gemoedstoestand. Madame Bovary is daarvan een van de mooiste bewijzen; het psychologische, het sensuele, het erotische, het verhalende en het literaire vloeien ineen.

Piet Driest, februari 2003

  • Gustave Flaubert, Madame Bovary, Veen, Utrecht, 1988 (vertaling Hans van Pinksteren)
    Florence Emptaz, Aux pieds de Flaubert, Grasset, Paris, 2002
  • Gustave Flaubert, De kluizenaar en zijn muze. Brieven aan Louise Colet, Privé-domein, Arbeiderspers, Amsterdam, 1983 (vert. Edu Borger)
  • P.Driest, L’art du dénouement dans les comédies de Marivaux, Groningen, 1973 (scriptie, niet in druk)

  • Jean Rousset, Forme et signification, Corti, Paris, 1962 (hierin H. 5 Madame Bovary ou le livre sur rien, vert. Piet Driest, www.Flaubert-nl.com)

  • Julian Barnes, Iets aan te geven?, Atlas, Amsterdam, 2001


[1] Alle citaten uit Madame Bovary komen uit de vertaling van Hans van Pinxteren, Uitgeverij L.J.Veen, Utrecht, 1988

Vorige
Startpagina


[Startpagina] [Nieuws] [Levensverhaal] [Vertalingen] [Artikelen] [Secundair] [Essay's] [Tijdgenoten] [Vrienden] [Audio & video] [Foto's] [Fotoalbum] [Favorieten]