|
|
|
Flaubert, Gustave (Rouen 12 dec. 1821 – Croisset 8 mei 1880), Frans romanschrijver, auteur van Madame Bovary, meester van de realistische roman. Evenals Stendhal, Balzac en Zola wordt hij algemeen gezien als een van de grote romanschrijvers van de 19de eeuw, maar hij onderscheidde zich door zijn bijzondere denkbeelden over het schrijverschap en door zijn moderne opvattingen over het schrijven van romans.
1. LEVEN VAN FLAUBERTGustave Flaubert was de zoon van een chirurg. Al vanaf zijn kindertijd voelde hij de eentonigheid van het leven in de provincie, en die sfeer stond hem nog bij tijdens het schrijven van Madame Bovary (1857) en Le dictionnaire des idées reçues (postuum, 1911). Hij poogde de verveling te verdrijven door zich al op heel jonge leeftijd op de literatuur te storten. Vanuit die ervaring schreef hij zijn eerste teksten al toen hij nog op het lyceum zat, de meeste met een sombere, melancholieke boventoon. Mémoires d'un fou, geschreven in 1838 en postuum uitgegeven in 1900, was het eerste werk waarin hij autobiografisch probeerde te schrijven. Zonder geestdrift of toewijding begon hij aan de rechtenstudie in Parijs die hij moest opgeven voordat hij die had afgerond, toen hij in de loop van het jaar 1844 getroffen werd door een zenuwziekte. Van deze ziekte bleef hij last ondervinden tot het eind van zijn leven, maar hij kon zich daardoor wel volledig wijden aan de letterkunde. Als jong rentenier leefde hij van toen af aan een teruggetrokken bestaan in Croisset, een plaatsje dichtbij Rouen, waar zijn familie een landgoed gekocht had. Deze tijd zonder reguliere bezigheden gebruikte hij om de eerste versie van L'éducation sentimentale af te maken. Over zijn afzondering, besteed aan de letterkunde, zijn verhalen ontstaan die van Flaubert een soort van kluizenaar hebben gemaakt, of een benedictijner monnik toegewijd aan de letteren. Flaubert stond bekend als een zeer erudiet man, iemand die ongelooflijk hard kon werken en die strenge eisen stelde op het gebied van de esthetiek. Inderdaad verliet hij zijn woonplaats Croisset, en zijn schrijftafel, nog slechts voor een paar verre reizen, de eerste naar het Midden-Oosten met zijn vriend Maxime du Camp (1849–1851), en later naar Algerije en Tunesië (1858). Maar ook verbleef hij nu en dan voor langere tijd in Parijs waar hij verkeerde in kringen van letterkundigen. Hij isoleerde zich dan misschien tot op zekere hoogte, maar dat belette hem niet een trouw vriend te zijn, getuige de briefwisseling die hij onderhield met zijn vrienden en in het bijzonder met Louise Colet – die hij leerde kennen in 1846 en die zijn minnares zou blijven tot 1854 –, maar ook met George Sand, Théophile Gautier en Guy de Maupassant. Deze briefwisseling is zeer omvangrijk; de inhoud is ontroerend en van hoog geestelijk niveau. Zij is bovendien een rijke bron van biografische gegevens die een verhelderend licht kunnen werpen op zijn literaire werken. In zijn loopbaan als schrijver heeft Flaubert bepaald ook mislukkingen gekend: noch met L'éduction sentimentale, noch met La tentation de saint Antoine, noch met Le candidat heeft hij de weg naar het grote publiek gevonden. Met Madame Bovary echter behaalde hij veel succes wegens het schandaal eromheen; Salammbô, het historische verhaal over Carthago, werd ook goed ontvangen door het publiek, maar systematisch afgekraakt door de meeste critici, Sainte-Beuve voorop.
2. WERK2.1 Tussen romantiek en realismeEen ander beeld dat men Flaubert in de schoenen schoof – al tijdens zijn leven, en tegen wil en dank –, was dat van de leider van de realistische school. Inderdaad heeft hij, net als Balzac, de sociale en historische werkelijkheid als object gekozen voor zijn studies. Hij was erop uit om ‘de werkelijkheid te tonen zoals zij is’, en baseerde daartoe zijn werk als schrijver op een bewonderenswaardige eruditie; voor Salammbô bij voorbeeld heeft hij lange tijd grondig onderzoek gedaan om belangrijk documentatiemateriaal te verzamelen. Hij is wellicht de patroon van een paar jonge schrijvers geweest, met name van Guy de Maupassant, maar heeft zich toch juist omdat hij zich bewust was van het complexe karakter van zijn eigen creatief proces, altijd gedistanciëerd van de betiteling ‘voorman van het realisme’. In een brief aan George Sand, gedateerd 6 februari 1876, schreef hij zelfs: ‘En let wel, ik verfoei dat wat ze tegenwoordig allemaal het ‘realisme’ noemen, ook al maken ze van mij een van de pausen ervan’. Er zijn twee volmaakt tegengestelde aders waaruit Flaubert zijn inspiratie putte voor het schrijven van romans: de ene, heftig stromend door de verleiding die uitgaat van romantiek en lyriek, de andere strak gespannen in een permanent streven naar het meest absolute realisme. Flaubert had zelf de volgende verklaring voor deze ambivalentie: ‘In mij huizen, literair gesproken, twee heel verschillende figuren: een die dol is op een heleboel ophef, op lyrische vervoering, op de hoge vlucht van de arend, op de klankrijkdom van een zin en op de verhevenheid van een idee; en een andere figuur die spit tot op de bodem van de waarheid, en die onderzoekt zo grondig als hij kan.’ Uit de inspiratie van de realistische ader zijn de romans voortgekomen waarin nadrukkelijk de grauwheid en de middelmatigheid van het hier en nu worden beschreven, zoals Madame Bovary (1857), L'éducation sentimentale (1869) en Bouvard et Pécuchet (1881), terwijl Salammbô (1862) La tentation de saint Antoine (1874) en Trois Contes (1877), horen bij de romantisch geïnspireerde ader. In de drie laatste werken wordt de macht van de menselijke hartstochten beschreven, en de grenzenloosheid van het verleden. Men mag dus beslist niet beweren dat Flaubert, chronologisch gezien, zich ontwikkelde van de romantiek naar het realisme: deze twee stromingen bestaan in hem naast elkaar, tot in zijn latere werk. 2.2 Schrijven als vakIn de briefwisseling met Louise Colet zijn waardevolle opmerkingen te vinden die aangeven hoe Flaubert dacht over de kunst van het schrijven. Flaubert, die niet geloofde in een uitzonderlijk talent voor de letteren, vond dat volharding voldoende was als basis om zich toe te leggen op de tijdrovende, noeste arbeid van het schrijven. Daarmee brak hij met de traditionele opvatting van de geïnspireerde kunstenaar: ‘Laten we ons verre houden van wat ze noemen inspiratie, een soort warmlopen, maar dan meestal niet met de kracht van spieren, maar met de zenuwen, zwak van de emoties.’ In elke zin van de romans van Flaubert valt op hoe zorgvuldig en bedachtzaam hij te werk ging, zonder ook maar iets aan het toeval over te laten. Talloze kladversies van zijn hand tonen trouwens aan hoe moeizaam het schrijven voor hem was. Soms ging hij zelfs zo ver dat hij het ritme van zijn zinnen uitprobeerde door ze luidkeels voor zich uit te brullen in zijn ‘schreeuwhol’. Een roman in de stijl van Flaubert moest bovendien voldoen aan twee logische eisen, die ook nog met elkaar samenhangen: elke waarneming moet wetenschappelijk verantwoord zijn, en de waarnemer moet onverstoorbaar zijn. Deze onverstoorbaarheid maakt nog wel eens plaats voor een meedogenloze ironie, niet alleen aan het adres van geëxalteerde types als Emma Bovary of Frédéric Moreau, maar ook van gewetenloze opportunisten als de apotheker Homais. Flaubert spot met alles en iedereen, hij beschrijft het belachelijke van de mensen en is de kroniekschrijver van het alledaagse; daarom beweerde hij zelf met stelligheid dat zijn romans alleen stilistische waarde hebben, omdat stijl betekenis en verhevenheid verleent aan een roman en ‘stijl in zichzelf een volmaakte manier is om tegen de dingen aan te kijken’. 2.3 Het vroege werkHet werk uit de jonge jaren van Flaubert kondigt de thematiek van de late jaren aan. Dat geldt voor Mémoires d'un fou (1838) dat op het eerste gezicht een autobiografisch verslag is van zijn passie voor madame Schlésinger, een getrouwde vrouw die hij ontmoet had in Trouville in 1836. Al is dit werk geschreven vanuit een toen nog zeer romantische impuls, toch is de problematiek van de ontgoocheling van L'éducation sentimentale er al in te herkennen. Zo is ook Smarh (1839) een soort ‘mysterie’ dat een aankondiging is van La tentation de saint Antoine (eerste versie 1849, vervolgens 1856 en 1874), het verhaal dat geïnspireerd is door een schilderij van Bruegel dat de schrijver gezien had in Italië. Hier moeten ook genoemd worden: Novembre (1842), een verzameling autobiografische overpeinzingen, en een toneelstuk, le Candidat, dat in 1874 is opgevoerd in het Théâtre de Vaudeville. 2.4 Madame BovaryZoals bekend waren weinig schrijverstalenten zo vroeg ontwikkeld als dat van Flaubert die al op de schoolbanken schrift na schrift volschreef. Toch had hij op zijn dertigste jaar, toen hij Madame Bovary begon te schrijven, nog niets gepubliceerd. Hij had wel in 1849 aan zijn vrienden, Maxime du Camp en Louis Bouilhet, het verhaal van La tentation de saint Antoine voorgelezen; de luisteraars, terughoudend tegenover deze lyrische ontboezeming, hadden hem aangeraden een onderwerp aan te snijden dat dichter bij de gewone realiteit stond. Hij koos dan ook een bericht uit de krant als basis voor de intrige van een realistische roman, Madame Bovary. Het viel de schrijver buitengewoon zwaar dit gegeven uit te werken tot een roman, zoals blijkt uit de brieven die hij in die tijd schreef aan Louise Colet. Het schrijven ervan duurde vijf jaar, van 1851 tot 1856, en vormde tevens de mogelijkheid om zijn methode van romanschrijven nader vorm te geven. Flaubert schildert het leven van Emma, een dweperige jonge vrouw, ontevreden in haar huwelijk met een allesbehalve boeiende plattelandsarts, Charles Bovary; zij geeft haar romantische dromen voedsel door sentimentele, schilderachtige boeken te lezen die in verre landen spelen, zoals die van Walter Scott. In de hoop dat ze de onbeduidende werkelijkheid van haar leven in de provincie kan ontvluchten, neemt ze een minnaar, Rodolphe, grondbezitter en een groot verleider, die echter binnen korte tijd erg moe is van haar geëxalteerde passie, en haar verlaat. Zij voelt zich afgewezen en gaat een tweede verbintenis aan, nu met de jonge Léon, die op zijn beurt genoeg krijgt van haar grillen en nukken. Intussen is ze bezig schulden te maken zonder dat haar man daarvan iets merkt, om zich weelderige en overbodige kleding aan te laten meten. In het nauw gedreven door de schuldeiser, in de steek gelaten door haar twee minnaars, en zonder dat ze nog enige illusie overgehouden heeft, maakt ze ten slotte een einde aan haar leven door arsenicum in te nemen, onder de ogen van haar echtgenoot die in al zijn onmacht de enige man is die werkelijk van haar gehouden heeft. De dood van Emma heeft, in de woorden van Flaubert, niets van een aangrijpende sterfscène om een fatale liefde, omdat haar zelfmoord ook een laag-bij-de-grondse reden heeft, haar schulden; zo sluit hij meteen alle romantische verklaringen van zijn verhaal uit. De publicatie van Madame Bovary in 1857 is van bijzondere betekenis voor de geschiedenis van de Franse roman, en wel omdat in deze roman niet de regels van de traditionele vertelkunst werden gebruikt. Met name door meer variatie toe te passen in de keuze van het vertelperspektief verfijnde Flaubert de techniek zodat hij met dit procédé een andere visie op de werkelijkheid kon geven – niet zoals in de verhalen van Balzac de enkelvoudige visie van de alwetende verteller die de waarheid kent, maar een veelvoudige, verspringende, ingewikkelde en subjectieve visie. Juist door deze techniek kan de verteller de spot drijven met alles en iedereen, en in dit geval enerzijds wel bijzonder scherp de illusies en de banale dromen van Emma laten zien en anderzijds net zo bijtend ironisch de middelmatigheid en de zelfgenoegzaamheid aan de kaak stellen van de gewone burger in de provincie. De roman werd niet alleen opgevat als een belediging van de Kerk, maar ook openbaar aangeklaagd wegens het immoreel karakter ervan – er kwam immers echtbreuk in voor. De zelfmoord van Emma, het ongeluk van Charles en zijn kind waren kennelijk onvoldoende als straf in de ogen van de moraalridders: die misten een streng maatschappelijk oordeel. Vandaar dat Flaubert, na publicatie van Madame Bovary als feuilleton in de Revue de Paris, werd opgeroepen op 29 januari te verschijnen voor de arrondissementsrechtbank om zich teweer te stellen tegen de aanklacht van ongeloof en zedeloosheid. De aanklager was Pinard, bekend geworden omdat hij in dat zelfde jaar de hand had gehad in de veroordeling van Les fleurs du mal van Charles Baudelaire. Uiteindelijk werd Flaubert vrijgesproken door de rechters en had hij meer voordeel dan nadeel van de affaire rond Madame Bovary, omdat het boek een succes werd juist door het schandaal. 2.5 Overige belangrijke werkenIn 1862 publiceerde Flaubert Salammbô, een verhaal dat zich afspeelt tegen de achtergrond van Carthago aan het eind van de Eerste Punische Oorlog. Het gaat uit van historische feiten: het oproer van de huurlingen die geen loon kregen uitbetaald en in opstand kwamen tegen het stadsbestuur. Daarnaast wordt in dit breed opgezette fresco ook de gepassioneerde liefde geschetst van Mâtho, de voorman van de huurlingen, en Salammbô, de dochter van de Carthaagse generaal Hamilcar die priesteres is van de godin Tanit. Vanuit dezelfde aandacht voor het waarheidsgetrouwe waarmee hij werkte aan Madame Bovary, verzamelde Flaubert voor dit verhaal een enorme hoeveelheid documentatiemateriaal. Geboeid door de wrede schoonheid van de grote wapenfeiten en de mythen uit de oudheid, wilde hij ‘weergeven hoe het echt was’ maar niet zonder vrijelijk zijn fantasie te gebruiken over dit tijdvak waarover zo weinig bekend was. Het autobiografisch element neemt een belangrijke plaats in in L'éducation sentimentale (1869). In zekere zin is dit werk de Franse tegenhanger van de Bildungsroman in Duitsland of de life novel in Engeland. Binnen de ontwikkeling van de roman in de 19de eeuw vormt dit werk opnieuw een belangrijke vernieuwing. Voor Flaubert zelf is de autobiografie in romanvorm een middel om af te rekenen met de jongeman die hij geweest was. De ontmoeting met Élisa Schlésinger, die hij al had geschetst in Mémoires d'un fou, is ook de bron van inspiratie voor L'éducation sentimentale waarin wordt verhaald van de uitzichtloze liefde van de jonge Frédéric Moreau voor Marie Arnoux, een getrouwde vrouw die ouder is dan hij. Omdat er niet wordt gedramatiseerd, omdat er geen romantische overdrijving in voorkomt, omdat de beschrijving sober is, diende L'éducation sentimentale tot voorbeeld voor de hele groep van naturalisten. De roman is een historisch fresco en een schildering van de revolutie van 1848, maar het is bovenal het verhaal van een debacle, dat belichaamd is in Frédéric Moreau. Deze jongeman, vervuld van dromen over de liefde en van maatschappelijke ambitie, blijkt in werkelijkheid niet in staat voluit zijn liefde voor madame Arnoux te beleven, zoals hij kennelijk ook niet in staat is actie te ondernemen als hij geconfronteerd wordt met de politieke gebeurtenissen tijdens de revolutie. De roman is eigenlijk meer dan een anekdote met een autobiografisch karakter; hij symboliseert bovendien de schipbreuk van een hele generatie. Het ontstaan van Bouvard et Pécuchet beslaat bijna de hele periode van 1870 tot aan de dood van Flaubert, in 1880. In die jaren heeft Flaubert zich ook nog beziggehouden met een laatste bewerking van La tentation de saint Antoine en heeft hij Trois contes geschreven. Maar met Bouvard et Pécuchet liet Flaubert het laatste getuigenis na van zijn intellectueel kunnen. Deze onvoltooide roman laat de crisis van het romanschrijven zien. In feite heeft alleen het eerste hoofdstuk echt de vorm van een vertelling – hierin wordt verhaald hoe de twee kopiïsten elkaar ontmoeten. De rest van het boek bestaat uit een eindeloze, allesomvattende systematische beschrijving van termen en regels in de takken van wetenschap waaraan de twee helden zich met hart en ziel wijden, echter zonder ooit enig niveau te bereiken: hier maakt de verhalende stijl plaats voor de opsomming. Flaubert brengt daarmee in beeld hoe moeilijk – zelfs onmogelijk – het is voor de literaire schepper om de werkelijkheid in haar geheel te omvatten. Zo symboliseert de mislukking van Bouvard en Pécuchet op karikaturale wijze het drama van Flaubert zelf. WERK: (o.a.): Correspondance (9 dln., 1926–1933; suppl. 4 dln., 1953), nieuwe uitg. d. J. Bruneau ( 1973 vv.); Œuvres, d. M. Nadeau (18 dln., 1964–1965); Œuvres complètes, d. de Soc. des Etudes Litt. Fr. (16 dln., 1971–1975); The complete correspondence, d. B. Beaumont (1985; m. Eng. vert.); Carnets de travail, d. P.M. de Biasi (1988). Uit: Microsoft Encarta 2000 |
|
|